WISSINK'S MÖL

Van akker tot bakker - van graan tot brood

Van het veld naar de molen

Schilderijen uit vroeger tijden, zoals dat van Pieter Bruegel de Oudere (Oogst – 1565), geven vaak een wat romantische indruk van het werken op het land. De realiteit was beslist anders. Zowel het maaien als het dorsen waren zeer uitputtende, arbeidsintensieve bezigheden. Weliswaar trokken de boeren traditioneel vaak in feestkledij en met bloem versierde zeisen bij het begin van de oogst naar de velden, maar dat maakte het werk niet bepaald lichter. Vroeger vond de oogst plaats wanneer de gewassen geel verkleurden en wel door middel van de sikkel, de zicht of de zeis. De gemaaide halmen bond men samen tot schoven, die vervolgens tegen elkaar werden gelegd en gestapeld tot een hok, in mijten of op staken om verder te drogen en af te rijpen. Het maaien gebeurde in de regel door de mannen, het binden van de schoven was vrouwenwerk.

Pieter Bruegel de Oude De graanoogst

De schoven werden vervolgens naar de schuur getransporteerd en na verloop van tijd werd er gedorst. Generaties boeren van voor 1900 hebben beslist in hun leven de dorsvlegel nog gehanteerd. Dorsen met een dorsvlegel was niet gemakkelijk; dat moest men leren. Het slaghout van de dorsvlegel moest beslist met zijn hele lengte vlak op het graan terecht komen. Een zaak van goed uithalen en daarbij met de handen de steel enigszins draaien. En opdat men elkaar niet met de dorsvlegel raakte moest eenieder het slagritme goed bijhouden. Dit alles verlangde veel lichaamsbeheersing, naast kracht en veel oefening.

 

Dorswerkzaamheden 1935

Het dorsen van graan: een arbeidsintensief proces

Hoe inspannend het dorsen wel niet was komt tot uitdrukking in het Duitse gezegde: “ik heb honger als een dorser”. Ging het regenen na de graanoogst dan moest direct een deel gedorst worden, omdat men zaaigoed nodig had. En vaak werd er vol verlangen op gewacht dat men weer graan naar de molen kon brengen om tot meel verwerkt te worden. De eigenlijke tijd voor het dorsen was echter pas in november, wanneer al het werk op de velden was gedaan. Rond Sint Maarten (11 november) was er geen schuur meer in het dorp waar niet het slaan van de dorsvlegels te horen was.

Na het dorsen moest het kaf van het koren worden gescheiden. Ook dit werd met de hand gedaan, tot het veel later door machines werd overgenomen. Dit wannen van het koren gebeurde met een soort schop of met grote platte korven. Om het kaf van het koren te scheiden wierp men het nog niet gezuiverde koren omhoog in de wind. De zware korrels vielen neer en kaf, onkruidzaad en andere stofdeeltjes werden door de wind meegevoerd. Deze methode is zo oud als het verbouwen van het graan. Al in de neolithische tijd werd de wanschop of –mand hiervoor gebruikt.

Jean-François Millet le Vanneur

Met de ontwikkeling van de maaimachine midden 19de eeuw werd een proces ingezet van toenemende mechanisatie van de voordien noodzakelijke handarbeid. De volgende stap was de maaimachine die tevens het gemaaide graan tot schoven bond. En zo verder tot de huidige maaidorsers. Afhankelijk echter van factoren als bedrijfsgrootte en geografische situatie bleef nog lang het inzetten van de eenvoudiger maaimachines en deels handwerkelijke verwerking nodig. Ook was het bijvoorbeeld nog lang nodig tevoren rondom een strook voor te maaien om verliezen van graan of storingen van de machines te voorkomen. Hiervoor werd de sikkel, zicht of zeis weer ter hand genomen.

Hoe het graan tot meel wordt

Wanneer het graan eenmaal bij de molen is afgeleverd, vroeger met paard en wagen, dan moeten de zakken naar boven, naar de steenzolder. Vroeger hebben de molenaars al wat bedacht, om die zakken niet via de trap omhoog te hoeven slepen: het luiwerk. Met dit systeem konden de zakken via luiken in de vloer omhoog gehesen worden. Dit kan handmatig gedaan worden via een gaffeltouw dat over een gaffelwiel loopt. Het kan ook met windkracht, bijvoorbeeld door een sleepwiel op het spoorwiel te laten zakken dat dan meeloopt en zo de luias aandrijft.

Brondgeest Gildehaus

Van elevator tot reinigingsmachine

Later kwam er voor dit interne transport nog een andere mogelijkheid: de elevator. In zo’n elevator, ook wel Jacobsladder genoemd, loopt in twee verticale houten kokers een via het kop- en voeteind rondlopende band. Daaraan zijn op afstanden van 30 tot 40 cm bakjes bevestigd.  Bij de voet wordt het graan opgeschept en bovenaan weer uitgestort in een afvoer naar silo of maalgang.

Een belangrijke stap in het maalproces is de reiniging van het graan. Dit vanwege de noodzakelijke zuiverheid van het eindproduct meel, maar meer nog vanwege eventuele verontreinigingen die de stenen zouden kunnen beschadigen. Het graan wordt dus gezuiverd van onkruidzaden, stenen of zelfs metaaldeeltjes. Dit gebeurt door reinigingsmachines zoals de aspirateur of de trieur (sorteer-cilinder).

Maalkoppel voormolen

Bloem en zemelen

Het belangrijkste werktuig in een korenmolen is het maalkoppel, waarin tussen twee molenstenen het graan wordt vermalen tot meel. Daarbij draait alleen de bovenste maalsteen, de loper. Het graan komt vanuit een trechter, de kaar, via het kropgat van de lopersteen op de ligger terecht en wordt van daaruit door de draaiende beweging en de meegezogen lucht verdeeld. Door de draaiende beweging van de loper over de vastliggende liggersteen kunnen de maalbanen en groeven van de stenen hun werk doen en wordt het graan gebroken en fijngewreven. Het komt dan als mengsel van bloem en zemelen onder uit het maalkoppel en gaat via de meelpijp naar de meelzak. De zemelen zijn de niet verteerbare delen van het zaad. Bij volkorenmeel blijven deze in het meel. Bij bloem zijn deze zemelen eruit gezeefd.

Bloem en zemelen