Zeker voor buitenlanders zijn windmolens, naast tulpen en klompen, hét symbool voor Nederland.
Molens zijn inderdaad onlosmakelijk met de geschiedenis van Nederland verbonden. De windmolen, een Franse uitvinding in de vorm van een standerdmolen, kwam in de twaalfde eeuw in ons land terecht. Al snel zagen de innovatieve Nederlanders meer mogelijkheden voor de windmolen dan het malen van graan. Vanuit de standerdmolen werd de wipmolen ontwikkeld, een poldermolen waarmee veel sneller droogmakerijen te realiseren waren dan voordien met handarbeid. Ook de windmolen met draaibare kap was een Nederlandse uitvinding. Deze molens brachten veel meer mogelijkheden binnen bereik, zoals het pellen van gerst, het slaan van olie, het vermalen van cacaobonen, schors (voor de leerlooierij), krijt, mosterd, snuif, tras, het kloppen van hennep en nog veel meer. In feite leidde dit, met name in Nederland, tot wat men wel de eerste industriële revolutie noemt. Tienduizenden molens, met concentraties rondom Amsterdam en in de Zaanstreek, stonden hun werk te doen en leverden niet alleen producten voor de binnenmarkt maar ook voor export.
Eén molentype heeft een bijzondere rol gespeeld. Rond het jaar 1500 werd de houtzaagmolen uitgevonden. Tot dat moment werden boomstammen nog met de hand verzaagd tot balken en planken. Nu kon dat met grote door de wind bewogen zaagramen in een veel groter tempo. Het bouwen van huizen, maar ook van schepen, kreeg een enorme versnelling. Zo kon ons land een grote voorsprong uitbouwen ten opzichte van andere landen wat oorlogs- en handelsvloot betreft. Nederland werd hét land dat handel dreef tot in de verste uithoeken van de wereld en hiermee heel veel geld verdiende: de gouden eeuw(en). Dat heeft ertoe geleid dat ons land nog steeds een van de welvarendste ter wereld is.
Tot in de 19de eeuw leek de (wind)molen onwrikbaar in ons leven verankert. Echter tegen de efficiency van de stoommachine, de verbrandingsmotor en elektriciteit waren de molens niet opgewassen. Zo kwam in het laatste kwart van de 19de eeuw een einde aan de hegemonie van de (wind)molens. Ze werden een relict met nauwelijks nog een economische functie. Veel molens verdwenen uit het landschap. Gelukkig is in de 20ste eeuw een tegenbeweging ontstaan, onder meer door de oprichting van de Vereniging de Hollandsche Molen. Op dit moment is er nog zo’n 10% over van de molens die er ooit waren. Een groot deel daarvan in goede staat en functionerend, draaiend gehouden door verenigingen en stichtingen met behulp van vele vrijwilligers en molenaars. Zoals dat ook bij Wissink’s Möl het geval is.
Meer weten over molens? Klik dan door naar: