Gedurende de eerste eeuwen van hun bestaan werden windmolens hoofdzakelijk gebruikt voor het malen van granen en het slaan van olie. In de 15de en 16de eeuw veranderde dat drastisch. Zo werd in Nederland de windmolen vanaf de vijftiende eeuw ingezet voor het droogmalen van polders. Zonder de poldermolens was een groot deel van Nederland niet bewoonbaar geweest. Verbeteringen in de zestiende eeuw leidden tot een molen met een conische vorm en een draaibare kap. Dit nieuwe type zou onder de naam ‘Hollandse windmolen’ verspreiding vinden in grote delen van Europa. Tevens kreeg de windmolen uiteenlopende verschijningsvormen door verschillende toepassingen en ging zij in steeds meer takken van nijverheid een functie vervullen. Waar gemalen, gekneusd, gestampt of gezaagd moest worden, daar werden windmolens ingezet. Tot in de 20ste eeuw bleven windmolens een essentieel element in de industriële ontwikkeling, ook buiten Europa.
Het is onmogelijk hier alle toepassingen van windmolens de revue te laten passeren. Wij stellen hier de belangrijkste (naast de korenmolen) voor: de oliemolen, de houtzaagmolen en de poldermolen. Zeer verhelderend zijn de bekende technische tekeningen die Anton Sipman heeft gemaakt van verschillende molenfuncties.
De tekening van de oliemolen laat duidelijk zien welk een complexe techniek zo’n molen kan bevatten. Via de wieken, de bovenas en de centrale koningsspil wordt via steenwiel en steenspil een kollergang met twee enorme verticale stenen in beweging gezet die het kool- of lijnzaad fijn wrijven. De enorme horizontale wentelas zorgt niet alleen voor het heffen en lossen van de heien die de slagkracht leveren om in het slagblok de olie uit het zaad te persen, maar ook voor het draaien van de roerijzers in de vuisterpannen, waarin het fijngewreven zaad wordt verwarmd. De na het slaan overblijvende zaadkoeken worden in potten vergruisd met behulp van heien. Het residu wordt weer verwarmd en vervolgens op het naslagblok nogmaals uitgeperst. De opbrengst is een tweede kwaliteit olie. De dan overblijvende oliekoeken worden verkocht als veevoer.
Deze tekening geeft een doorsnede weer van een paltrokmolen, een in Nederland rond 1600 ontwikkelde molenvorm speciaal voor het zagen van hout. Essentieel hiervoor was de uitvinding door Cornelis Corneliszoon van Uitgeest van de meervoudige krukas (boven in de molen), die de zaagramen op en neer kon bewegen. Het krabbelwiel (rood, beneden links op de zaagvloer) zorgde ervoor dat de boomstammen op de juiste manier door de zaagramen werden gevoerd. Geheel onder is te zien dat de complete molen op een soort rollenkrans staat, waardoor ze als geheel in de wind gedraaid kon worden.
Deze tekening laat een tweetal spinnenkopmolens zien, die beide zijn uitgerust als poldermolen. De spinnenkop heeft in vergelijking met de standerdmolen een klein draaibaar bovenhuis. Daarin is alleen de overbrenging ondergebracht van de windkracht via wieken, bovenas en koning naar het benedenhuis waar een waterwiel wordt aangedreven. Dit waterwiel op zijn beurt zet een waterrad in beweging (achterste molen) of een archimedische schroef of vijzel (voorste molen). Waar een waterrad het water slechts tot een hoogte van maximaal 2 meter kan opvoeren, kan een vijzel dit tot 5 meter hoog. Daarvoor wordt van de molen wel meer vermogen gevraagd; het vervangen van een waterrad door een vijzel is dus niet zonder meer altijd mogelijk.