Wissink’s Möl is een standerdmolen. Daar zijn er in ons land nog maar 48 van. Dat alleen al maakt de Möl bijzonder. De standerdmolen, ook wel stenderkast genoemd, is het oudste type (houten) windmolen. Feitelijk dus de oermoeder van alle latere vormen van windmolens. “Uitgevonden” rond het jaar 1000 in de kuststreek van noord-west Frankrijk (of België?). Vandaaruit heeft dit type molen zich verspreid over grote delen van Europa. In Nederland kwam de standermolen na 1200 terecht. Eeuwenlang beheersten de standerdmolens het landschap, waarna ze geleidelijk werden verdrongen door het in ons land ontwikkelde type van de “bovenkruier”: een molen waarbij niet het gehele molenhuis op de wind gedraaid werd, maar alleen de kap met de wieken. Wat de ontwikkeling van veel grotere molens leidde.
Onder de molen de draagmuren of stiepen, elk met een strofe van een gedicht van J.J.Deinse
Het fundament van een standerdmolen bestaat uit een viertal stenen stiepen, ook wel teerlingen. De twee hoge teerlingen staan noord – zuid, de lage oost – west. Daar staat de dragende constructie met de standerd los op. Deze standerd draagt de vierkante kast. De constructie is zo gemaakt dat de kast op en om de standerd kan draaien. Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan bij een standerdmolen het ondergedeelte geheel gesloten, halfopen, of helemaal open zijn. In Usselo is de constructie duidelijk te zien, daar hebben we dus te maken met een open standerdmolen. In Nederland zijn maar heel enkele open standerdmolens overgebleven.
De conclusie zou beslist mogen luiden dat Wissink’s Möl een unieke molen is. Weliswaar is elke molen anders en in die zin uniek. Maar voor de Möl mag Uniek met een hoofdletter worden geschreven. Een molen die zonder meer voor het nageslacht behouden moet blijven en daarom alle steun en bescherming verdient die daarvoor nodig is!