WISSINK'S MÖL

De ontwikkelingsgeschiedenis van molens

Een wrijfsteen uit ca 4000 vChr.

Het is minstens 50.00 jaar geleden dat men de maalsteen uitvond. Deze uitvinding mag als een van de belangrijkste ooit gezien worden. Hierdoor werden ontwikkelingsstappen mogelijk naar een beschaving met continue beschikbaarheid van levensmiddelen. De mens kon daardoor in vaste nederzettingen gaan wonen.

 

Omstreeks 40.000 v.Chr. benutten de Neanderthalers wrijfstenen – zoals hier afgebeeld – voor het malen van verfstoffen en waarschijnlijk ook al verzamelde graszaden. De eerste concrete bewijzen van het malen van granen dateren van 23.000 jaar geleden. Dit waren graansoorten die in de natuur werden verzameld. Aangenomen wordt dat al zo’n 10.000 jaar graan op akkers wordt verbouwd op onze wereld, zoals eenkoorn (Triticum monococcum), het oudste bekende broodgraan.

Oude queerne gemaakt van basalt.

Het oudste ooit gevonden versteende brood is ongeveer 5.500 jaar oud. De Egyptenaren maakten meel met vijzels, stampers en zeven. Een oude Griekse sage dicht aan de Griek Mylas de uitvinding (omstreeks 500 v.Chr.) van de draaiende maalstenen toe: de handmolen of queerne. Op veel plaatsen in de wereld worden deze tot op vandaag nog steeds gebruikt.

Klokmolens gevonden bij de opgravingen van Pompeii

De Romeinen gaven sterke impulsen aan de verdere ontwikkeling van de molen- en maaltechniek. Naast de kleinere handmolens hadden zij vanaf ca. 200 v.Chr. klokvormige molens, gebouwd volgens het principe van twee kegels, die rond een as draaiden. Deze konden met behulp van paarden, ossen of ook wel slaven in beweging worden gezet. Veel van deze Romeinse molens werden in goede staat gevonden in Pompei, net als de eerste kantstenen (kollergang) voor het vermalen en persen van olijven. Via het Romeinse leger belandden dergelijke molens in vele delen van de wereld.

Schipmolen (Slovenië)

In het jaar 25 v.Chr. werd door Vitruvius voor het eerst een via een waterrad aangedreven molen genoemd. Dit was waarschijnlijk een molen met een horizontaal waterrad, zoals ze nu nog in Oost-Europa te vinden zijn.  In eerste aanleg lag het vermogen van een dergelijke molen bij één paardenkracht. Romeinse ingenieurs verbeterden geleidelijk het prestatievermogen. In Zuid- Italië is een molensteen van meer dan twee meter doorsnee gevonden. Dergelijke molenstenen draaiden 46 toeren per minuut en konden per uur 150 kg koren malen. Twee slaven wisten met een klokmolen amper zeven kg per uur te malen. Aangezien de watermolen spierkracht overbodig maakte wordt ze wel gezien als de oudste machine van de mensheid.

 

Nog verbluffender was een andere Romeinse uitvinding. Toen Rome in de vijfde eeuw onder Byzantijnse heerschappij stond, werd het door de Goten belegerd. Daardoor werd het van zijn molens afgesneden en begonnen de inwoners schipmolens te bouwen op de Tiber. Zo werd de kracht van het stromende water voor het maalproces benut. Scheepsmolens hebben nog lang op veel plaatsen in Europa gefunctioneerd.

Windmolens

In Europa werden de eerste windmolens gebouwd rond het jaar 1000, in de vorm van de standerdmolen. In de eeuwen daarna namen de windmolens een hoge vlucht. In Nederland ontstond de poldermolen, waardoor grote droogmakerijen mogelijk werden. In de 14de eeuw werden voor het eerst draaibanken met molens aangedreven en in de 15de eeuw kwamen daar bewerkingen bij als hout zagen, olie slaan, buizen boren, draadtrekken, walsen en snijden voor de metaalverwerking. 

In de 16de eeuw bestonden er al minstens veertig verschillende verwerkingsprocessen, die met water- of windkracht werkten. Bijvoorbeeld hefwerktuigen, waterraderen en beluchters voor onder meer steengroeven. Maar ook latere uitvindingen als slijp-, hak-, spin, pomp, vol- en boormolens, evenals schors-, eek-, run-, mosterd-, mout-, krijt-, snuif, tras-, verf-, papiermolens enzovoorts. De ontwikkeling en toepassing van zeer veel belangrijke industriële processen werden door de inzet van water- en windmolens mogelijk gemaakt.