Een indeling van windmolens is niet eenvoudig te maken, omdat men dit op verschillende criteria kan baseren. Hoe dan ook is iedere molen uniek! Wij hebben hier de windmolens, zoals we ze in onze omgeving kennen, ingedeeld op hun uiterlijke verschijningsvorm. In de volgorde zit een relatie met hun ontwikkelingsgeschiedenis.
De eerste (standerd)windmolens verschenen waarschijnlijk begin 11de eeuw in noordwest Frankrijk. In Nederland is de eerste standerdmolen waarschijnlijk in 1221 in Zeeuws-Vlaanderen gebouwd. De naam standerdmolen heeft betrekking op de specifieke bouw: een piramidale constructie die op 4 poeren rust met in het midden een verticale standerd. Het gehele molenhuis rust op en draait om deze standerd en zodoende kunnen de wieken in de wind gezet worden. De standerdmolen is dus feitelijk de oer-moeder der windmolens.
De eerste torenmolens ontstonden in zuidelijk Europa, zoals ze daar nu nog aan te treffen zijn. In onze omgeving werden al in de 14de eeuw niet benutte verdedigingstorens voorzien van een kap, wieken en maalkoppel. Vanaf de 15de eeuw werden ze ook nieuw gebouwd, eveneens cilindrisch gemetseld met soms bovenaan een verjonging om de kapdiameter te verkleinen en zodoende het kruien te vergemakkelijken. De kruibare kap is bij de torenmolens ontstaan.
De wipmolen is begin 15de eeuw uit de standerdmolen ontwikkeld. Bij deze molen bevinden zich uitsluitend delen van het aandrijfmechanisme in het draaiende molenhuis. De windenergie werd overgebracht naar de onderbouw via een koningsspil die door een holle koker liep. Daar werd een scheprad of een vijzel aangedreven voor de ontwatering van polders. Een enkele keer werd een wipmolen ook als korenmolen gebruikt.
De Nederlandse Paltrokmolen is een doorontwikkeling van de standerd- / wipmolen van eind 16de eeuw. Het molenhuis wordt in zijn geheel op de wind gezet door middel van een kruirolring onder het molenhuis, die op een cirkelvormige gemetselde ringmuur ligt. Daardoor is de paltrokmolen veel stabieler. Deze paltroks werden als zaagmolen gebruikt. Ze kregen daartoe een overkapte uitbouw aan beide zijden, vanwege de lange boomstammen die verzaagd moesten worden. In Duitsland is een ander type paltrokmolen (Paltrockmühle) ontstaan. Dit zijn omgebouwde standerdmolens die als korenmolen gebruikt worden. Hierbij is het molenhuis naar onderen toe verlengd en draait eveneens op een kruimuur.
Rond 1400 werd in Nederland de kruibare kap uitgevonden. Dit maakte de ontwikkeling van molentypen mogelijk, die de tot dusver bestaande typen overtroffen wat betreft rendement en efficiency. Zo konden de wieken met groter gemak in de wind worden gezet en de molens hoger worden gebouwd.
Bij de grondzeiler reiken de wieken tot kort boven de grond, waardoor van daaruit de zeilen voorgelegd kunnen worden. Wanneer handmatig gekruid moet worden gebeurt dat eveneens vanaf de grond, evenals het bedienen van de vang. Grondzeilers komen voor met een gemetselde romp, een voortzetting van de torenmolen. Of met een houten romp, meestal 8-kantig, die van buiten bekleed is met meestal eiken schaliën of riet.
Bij de Beltmolens (of bergmolens) geschieden het kruien, voorleggen van de zeilen en vangen vanaf een rondom de molen opgeworpen aarden wal: de belt. De molens konden zo hoger worden gebouwd en kregen een betere windvang. Ook ontstond er door de hoogte meer ruimte. Beltmolens hebben in deze belt een ingang of onderdoorgang, zodat paard en wagen onder de molen konden komen.
De stellingmolen heeft een ijzeren of houten platform op hoogte: de stelling of balie. Door de hoge onderbouw, met vaak meer verdiepingen, kregen ook deze molens een betere windvang en meer interne ruimte. In een stedelijke omgeving vind je vaak behoorlijk hoge stellingmolens. Dit om boven alle omringen daken uit te komen.
Bij de Molens op schuur is (een stellingmolen) de eigenlijke molen neergezet op een groter gebouw, soms zelfs met meer verdiepingen. Soms dient het dak van deze “schuur” als bedieningsplatform voor het kruien, voorleggen van de zeilen en vangen. Vaak hebben ze echter daarvoor een stelling. De schuur dient voor opslag of als werkruimte, zoals bijvoorbeeld bij de houtzaagmolens.